| Biografie Rento Wolter Hendrik Hofstede Crull (1863-1938) door Jaap Tuik |
|
|
| Geschreven door Jaap Tuik |
|
Hofstede Crull, elektriciteitspionier en fabrikant Inleiding Rento Wolter Hendrik Hofstede Crull (26-11-1863 Meppel - 08-09-1938 Doetinchem). Vader: Wolter Hendrik Crull (1828 - 1864). Moeder: Catharina Annette Kuiper (1831 - 1909). Echtgenote 1 Aleida Johanna Hendrika Dikkers (1865- 1928). Echtgenote 2: Elisabeth Kühm. Kinderen: 4 dochters: Johanna (1895 - 1945) , Catharina Annetta Jacoba (1897 - 1989), Woltera Hendrika (1900 - 1966 ) Aleida Johanna Hendrika (1902 - ?)
Rento Wolter Hendrik Hofstede Crull werd geboren in 1863. Na de lagere school in de stad Groningen en een weinig succesvol verlopen HBS tijd in diezelfde stad, werkte hij enkele jaren in een fabriek in Borne en pakte daarna de studie weer op. Ditmaal aan de technische hogeschool in Hannover, waar hij elektrotechniek studeerde. In 1891 ontwikkelde hij veel activiteit voor het Amerikaanse bedrijf Thomson Houston' op de grote elektriciteitstentoonstelling in Frankfürt am Main. Direct na die tentoonstelling volgde een periode van drie jaren praktisch werken in de fabrieken van Thomson Houston en General Electric in de Verenigde Staten van Amerika. Op 1 april 1894 begon hij in Borne een technisch bureau, dat zich aanvankelijk vooral toelegde op installatiewerk, op de handel in elektrotechnische materialen en op het stichten van openbare elektriciteitsbedrijven. In 1897 volgde zijn associatie met de werktuigbouwkundige ingenieur Willem Willink en stichtten zij samen de firma 'Hofstede Crull en Willink'. Na verhuizing naar Hengelo in 1900, vervaardigde het bedrijf in toenemende mate ook eigen elektrotechnische producten. Deze laatste activiteit nam nog sneller toe, nadat de firma in 1908 werd omgezet in de naamloze vennootschap: 'Hengelosche elektrische En Mechanische Apparaten Fabriek' HEEMAF. Vanaf 1915 behoorde ook de fabricage van elektromotoren en generatoren tot de HEEMAF-activiteiten.
Kijkje in de fabriek van de Heemaf (1920-1925) Hofstede Crull stond aan de wieg van een betrekkelijk groot aantal elektriciteitsbedrijven. Aanvankelijk nog bescheiden van omvang, maar later ook bedrijven met meer dan plaatselijke betekenis. Als stichter van het Twentsch Centraal Station voor Elektrische Stroomlevering het TCS, als exploitant van het GEB Enschede, grondlegger van de elektriciteits maatschappij 'De Berkelstreek' en als initiator van de 'Stroom Verkoop Maatschappij', de latere 'Provinciale Limburgsche elektriciteits Maatschappij PLEM', behoort Hofstede Crull zonder twijfel tot de weinige elektriciteitspioniers die Nederland gekend heeft.
Klik hier voor het jubileum van de Stroom Verkoop Maatschappij (1909-1934) met daarin de historie van dit bedrijf tot 1934 en de rol die Hofstede Crull daarin gespeeld heeft.
In 1918 ontstond een conflict met de raad van commissarissen en met een aantal stafleden van HEEMAF. Het conflict escaleerde en het leidde in 1919 tot zijn aftreden als directeur van HEEMAF. Na terugtreden uit nog enkele andere functies in Twente, stichtte hij in 1920 een nieuwe elektromotoren-fabriek in Doetinchem. Deze fabriek doorstond de crisisjaren niet en failleerde in 1933. Hem restte, als bijna 70-jarige, daarna nog slechts de eveneens door hem gestichte 'Internationale Spinpot Exploitatie Maatschappij' ISEM, waar speciale spin patten voor de kunstzijde industrie vervaardigd werden en waaraan hij tot zijn dood verbonden bleef. Hofstede Crull heeft grote verdiensten gehad als initiator van intergemeentelijke elektriciteitsvoorziening, elektriciteitsvoorziening op het platteland, als stichter van een fors aantal elektriciteitsbedrijven en als fabrikant van elektrische machines en apparaten. Toen hij op 8 september 1938 in Doetinchem overleed en enkele dagen later in Borne begraven werd, verloor Nederland een koppig en niet gemakkelijk mens, maar ook iemand die er voor zorgde dat er gedurende de donkere jaren van de eerste wereldoorlog in vele Nederlandse huiskamers toch enig licht ontstoken kon worden. Jeugdjaren en opleiding De jonge heer Crull ontpopte zich als een lastig ventje, waar moeder veel mee te stellen kreeg.' Volgens één van zijn dochters, mevrouw Bouman uit Zwolle, klom hij als vierjarige al op het dak van het woonhuis als hij zijn zin niet kreeg en weigerde af te dalen zolang moeder niet toegaf. Op 30 oktober 1864 trok het jonge gezin naar de stad Groningen, waar zij in het ouderlijk huis van moeder aan de Haddingestraat 209 onderdak vonden. De lagere school werd doorlopen in de stad Groningen en het eerste jaar van de·HBS, in Hoogezand-Sappemeer. Dit laatste hield waarschijnlijk verband met weer een naamswijziging. Die naamswijziging werd in 1879 aangevraagd en bij koninklijk besluit no 32 van 12 juni 1879 kreeg de toen 15-jarige Rento Wolter Hendrik Crull officieel toestemming bij zijn geslachtsnaam die van 'Hofstede' te voegen. De aanvraag had te maken met het huwelijk van één der voorvaderen van de Crull-familie met een telg uit het Drentse drostengeslacht 'Hofstede'. Doordat er in de betreffende familie-tak drie dochters waren en geen zonen, dreigde de naam 'Hofstede' te verdwijnen en moesten potentiële huwelijkskandidaten trachten de naam Hofstede aan de eigen naam toegevoegd te krijgen. Het eerste jaar van de HBS werd dus in Sappemeer gevolgd en na gewenning aan de nieuwe naam werd hij ingeschreven aan de Rijks-HBS in Groningen. Die HBS-tijd, verliep allesbehalve voorspoedig; vele onvoldoendes en steeds meer schoolverzuim. Met pasen 1883 kreeg de spijbelaar het advies de school te verlaten en volgde een korte periode van werken in het metaalbedrijf 'van Vliet en van Capelle'." In 1884 treffen we hem aan in het dienstbodenregister van de gemeente Borne. Gedurende twee jaren heeft hij daar gewerkt in de machinefabriek van de gebroeders Ledeboer. Hoogstwaarschijnlijk maakte hij daar ook voor het eerst kennis met een, uiteraard nog wat primitieve, elektrische fabrieksinstallatie. Ook maakte hij daar kennis met zijn latere echtgenote, Aleida Johanna Hendrika Dikkers, dochter van de kantonrechter mr.Hendricus Dikkers en van Johanna Dikkers, beiden telgen uit hetzelfde Dikkers-geslacht. Mogelijk heeft het engagement met Aleida Dikkers hem geïnspireerd tot een wat serieuzer aanpak van zijn studie, want in het voorjaar van 1886 vinden we hem terug aan het 'Technicum Mittweida' in Duitsland. Die school had geen academische status, maar moet ongeveer geplaatst worden op het niveau van onze huidige HTS.3 Hofstede Crull heeft slechts één semester in Mittweida doorgebracht en ook daar veel verzuimd wegens 'Familien-angelegenheiten'." Die familie-omstandigheden schijnen te maken hebben gehad met het opvragen van vaders erfdeel. Dat erfdeel zou hem in staat gesteld hebben zijn studie te bekostigen. Hoe het zij, vanaf 9 oktober 1886 blijkt hij college te lopen aan de technische hogeschool te Hannover. Hij volgt daar onder meer de, juist in 1886 aangevangen, colleges elektrotechniek van de in vakkringen zo bekende professor Wilhelm Kohlrausch. Hofstede Crull heeft de colleges slechts als toehoorder gevolgd. Nergens zijn gegevens te vinden over tentamens of over afstuderen. Ook heeft hij later nooit de titel 'Diplom Ingenieur' gevoerd, waar hij recht op gehad zou hebben als hij daadwerkelijk afgestudeerd zou zijn. Volgens het 'Matrikelbuch' 1886-1891,5 heeft hij de colleges een aantal jaren trouw gevolgd en naar later zou blijken, heeft hij er ook veel geleerd. Tussen de colleges is Hofstede Crull dikwijls terug te vinden op allerlei wielerbanen, zo in 1886, op de wielerbaan van Harlingen." Hij veroverde daar op 'de hoge' een tweede plaats op de race over één kilometer. Ook op Duitse banen heeft hij, volgens overlevering, vele malen successen geboekt.
Wielerwedstrijd met Hofstede Crull, Nieuws van den dag, 18-07-1887
De pedalen zijn aan het voorwiel bevestigd. De fiets is vrij labiel en dus moeilijk te berijden. Niet zonder risico bovendien. Maar risico’s schuwde Hofstede Crull niet. Integendeel! Hij was al begonnen met wielrijden toen hij in Groningen nog op de HBS zat. Op 14 juli 1886 debuteerde hij in Harlingen bij wedstrijden van ‘Het Nederlandsche Velocipedistenbond’. Later, in de periode waarin hij zich in Duitsland bekwaamde in de elektrotechniek, deed hij ook in het buitenland aan vele wedstrijden mee. Amerika Ook gaf hij tijdens een congres in Frankfürt, over 'elektrische banen'(spoorlijnen), de zich wat opdringerige vertegenwoordiger van Siemens en Halske een fikse veeg uit de pan. Professor Snijders lijkt in het rapport nogal ingenomen met het optreden van Hofstede Crull.
Verslag van een internationale fietswedstrijd waar Hofstede Crull uit Groningen eerste werd. Bron: de Kampioen, augustus 1886. Direct na de tentoonstelling vertrok hij naar de USA, waar hij in de fabrieken van Thomson Houston veel ervaring opdeed en waar hij ook de wereldtentoonstelling in Chicago van 1893 bezocht. Thomson Houston werd in 1893 opgenomen in de General Electric Company, waardoor Hofstede Crull ook nog gemakkelijk kon overstappen naar dat, nog weer grotere bedrijf, en kennis kon nemen van de werkmethoden en elektrische systemen bij de GEC.
Een van de belangrijkste elektrotechnische tentoonstellingen vòòr 1900, de Internationale Elektrotechnische Ausstellung Frankfurt am Main (1891). Hier waren alle bekende elektriciteitspioniers te vinden waaronder o.a. Edison, Hofstede Crull en Willem Benjamin Smit. Over de Amerikaanse periode is verder weinig bekend. Uit mondelinge overlevering blijkt dat de VS een onuitwisbare indruk op hem gemaakt hebben. Zelfs op veellatere leeftijd vertelde hij er nog graag over. Eigen technisch bureau
Als generaal vertegenwoordiger van Körting bood hij zich aan voor levering en installatie van gas- en elektrische toestellen. Hij had een wat bij elkaar geraapte, maar toch redelijke schoolopleiding, zijn talenkennis was voldoende, zijn ervaring in binnen- en buitenland was groot en zijn werkkracht onbeperkt. Ook was hij brutaal, hij had maatschappelijk gezien, geen hoogtevrees en hij bezat overtuigingskracht.
Het eerste gebouw van elektrotechnisch bureau Hofstede Crull en Willink Ingenieurs in Borne rond 1897.
07-11-1901 Nieuws van den Dag.
1896 eerste medewerkers van Hofstede Crull & Willink
14-03-1901 - Nieuws van den Dag
Interieur van een bandweverij kort na 1900. werkplaats "het eiland". Opmerkelijk is het bovendrijfwerk dat aangedreven werd door één centraal opgestelde grote elektromotor.
Reclame Hofstede Crull & Willink (1910). Als een bezetene bracht hij overal, waar dat te pas kwam, offerte uit voor het leveren van apparaten en installaties. Ook vroeg hij bij een groot aantal gemeenten concessie voor het stichten van openbare elektriciteitsbedrijven. Nu en dan was er enig succes. Zo werden de elektrische installaties van Musis Sacrum in Arnhem en van hotel Willems in Groningen door Hofstede Crull verzorgd."
Musis Sacrum in Arnhem had al rond 1897 elektrische verlichting, aangelegd door Hofdstede Crull & Willink Ook een koolteerfabriek in Harlingen droeg haar elektrische installatie op aan het nieuwe technische bureau en de villa van de textielfabrikant A. J. Spanjaard in Borne werd eveneens elektrisch verlicht door Hofstede Crull.
Een zeer vroege foto (1897-1900) van een gezelschap voor een schakelbord, geheel rechts zien we Hofstede Crull, Links naast hem zittend waarschijnlijk Willink. Het gezin Hofstede Crull
Huwelijk R.W.H. Hofstede Crull met A.J.H. Dikkers Het gezin woonde enkele jaren op verschillende plaatsen in Borne, maar in 1898 volgde verhuizing naar Hengelo. Zij betrokken daar een villa die aan de ouders Dikkers had toebehoord en die stond op het terrein van de voormalige 'hof te Hengelo', een havezate uit de veertiende eeuw in het centrum van Hengelo. Uit het huwelijk werden vier dochters geboren: 'evenzovele teleurstellingen'. Dolgraag zou Hofstede Crull een zoon gehad willen hebben, die dan later zijn werk voort had kunnen zetten en die de zojuist verworven fraaie familienaam, ook verder had kunnen uitdragen. Openbare elektriciteitsvoorziening Groningen De schakelkamer van het GEBM uit 1895, met rechts een dynamo van Smit Slikkerveer. Machinekamer met 2 De Laval's draaistroom turbine dynamo's (1895) In de hinderwetvergunning staat: 'De ontwikkelde elektriciteit zal deels direct in de leidingen worden gezonden, deels in eene accumulatorenbatterij worden verzameld'. Het bedrijf verwierf geen concessie, maar werkte onder vergunningsvoorwaarden en kon nauwelijks uitbreiden. De essentie van een 'blokstation' was namelijk dat de vergunninghouder binnen het betreffende (huizen)-blok zijn gang mocht gaan, maar geen straten, wateren of andere openbare terreinen mocht kruisen. Een blokstation was dus op zijn best een goede vingeroefening, maar een doorslaand commercieel succes lag niet voor de hand.
Bron: Nieuws van den Dag, 19-07-1894 Pompenkamer van de Groninger Blokcentrale in 1895
16-06-1894 Nieuws van den dag, de concessie voor Groningen. Op 15 oktober 1895 werd voor het eerst geleverd aan 22 klanten. Het waren vrijwel uitsluitend winkelbedrijven in de binnenstad. Bij de sluiting van het bedrijf in 1912, na een brand in het centrale gebouw, waren er 23 aangeslotenen. De uitbreiding kan dus onmogelijk spectaculair genoemd worden." Vanaf de stichting tot haar liquidatie is het bedrijf noodlijdend geweest. Er is nooit enig dividend uitgekeerd en de aandeelhouders moesten bij de liquidatie, ter dekking van de schulden, op elk oorspronkelijk aandeel van HFL 100,- nog f 47,50 bijbetalen. Hofstede Crull bezat 30 aandelen en leed financieel dus verlies, maar was een ervaring rijker. Bij dat verlies moeten we natuurlijk aantekenen dat hij aan het leveren van allerlei apparaten en verlichtingstoestellen aan de verbruikers in Groningen, wel degelijk verdiend kan hebben. De 23 klanten van het bedrijf werden, direct na de brand, gretig overgenomen door het inmiddels gestichte gemeentelijke elektriciteitsbedrijf van Groningen en de blokverlichtings-maatschappij was spoedig vergeten.
De opvolger van de Groninger elektrische Blokverlichtings- Maatschappij, de PEB Helpman centrale te Groningen (1912) Veendam
ENEM centrale Veendam (1894 - 1900)
23-07-1894, bron Nieuws van den dag
De Molenstreek ter hoogte van de huidige Tjark Jans Giezenstraat. We kijken hier in de richting van Ommelanderwijk. Aan de overzijde de voormalige Elektrische centrale die geëxploiteerd werd door de ENEM (Eerste Nederlandsche Elektriciteits Maatschappij). De centrale werd gebouwd in 1900 en in gebruik genomen in 1901. In 1905 nam de EMV (Elektriciteits Maatschappij ‘Veenkoloniën') de productie over. De EMV werd in 1962 opgeheven. Het gebouw staat er vandaag de dag nog steeds alleen de schoorsteenpijp is verdwenen.
Bouw elektrische centrale in Veendam (1905) Een zeer vroege schakelinrichting van de Heemaf (1900-1920). De man geheel links lijkt verdacht veel op Hofstede Crull, Bron: HCO Borne
Nieuws van den dag, 15-02-1896 Het was van meet af aan de bedoeling te komen tot een nog te stichten naamloze vennootschap, maar zolang die vennootschap er nog niet was, werd de zaak op persoonlijke titel voorbereid. Na de principiële toezegging door de gemeente werd het enige tijd stil. Hofstede Crull moest participanten zoeken in het maatschappelijk kapitaal voor het te stichten bedrijf en hij moest de technische installatie ontwerpen. Verder moest hij vergunningen vragen bij niet gemeentelijke instellingen als Rijkswaterstaat en de Hollandsche Spoorwegmaatschappij voor kruising van rijksgronden en spoorbanen. Ook moest er onderhandeld worden met de Bell telefoonmaatschappij in verband met het kruisen van telegraafleidingen. De gemeente zat intussen ook niet stil. Zij stond voor de taak concessievoorwaarden op te stellen voor een nieuwe openbare nutsinstelling, waarvan zij de reikwijdte nog maar nauwelijks kon overzien. Bovendien had Hofstede Crull tussentijds nog aangeboden de straatverlichting om te bouwen van petroleum naar elektriciteit en moesten daarvoor eveneens regels gesteld worden. B en W konden echter niet terugvallen op veel voorbeelden.
De Laval stoomturbine. bron: www.stoomturbine.nl Het was de eerste maal dat in Nederland een stoomturbine toegepast werd ten behoeve van openbare elektriciteitsvoorziening. De 'De Laval' turbine was voor die tijd eigenlijk een wonder van techniek. Gepatenteerd in 1883, had De Laval zijn machine snel dóórontwikkeld en er bestonden in 1895 al exemplaren die 30.000 omwentelingen per minuut maakten of 500 per seconde." De constructie werd in vakkringen uitbundig geprezen en was zonder twijfel baanbrekend. In Borne dus een tweetal noviteiten. Ten eerste de concessieverlening voor het gehele grondgebied van een gemeente en daarnaast de eerste toepassing van een stoomturbine voor openbare elektriciteitsvoorziening. Het Bornse bedrijf was nog geen commercieel succes. Het rendement van de stoomturbine viel tegen en de exploitatie verliep moeizaam. Eigenlijk kon het ook nog niet. In landen met veel waterkracht was elektrische energie al wel attractief doordat daar geen stookkosten in rekening behoefden te worden gebracht, maar Nederland kende vrijwel geen waterkracht en dus moest hier alles op thermische wijze gebeuren. Zelfs in de Nederlandse grote steden met vele aansluitingen op een klein grondoppervlak was het moeilijk, maar in een relatiefklein dorpje als Borne was het bijna onmogelijk. In 1896 was het nog een groot financieel waagstuk om met een dergelijk bedrijf van start te durven gaan. Hofstede Crull en het gemeentebestuur van Borne durfden het aan en zij zetten daarmee de toon voor vele andere gemeenten in Nederland. Hoogspanningsaanleg bij het textielbedrijf Eilermark in Glanerbrug rond 1900. Geheel links, staande met een spanningsmeter in de handen zien we Floris Hazemeyer toen hij nog werkte voor Hofstede Crull & Willink. De meter die hij in handen heeft lijkt zeer veel op de meter zoals die te vinden is in het elektriciteitsmuseum in Hoenderloo. (zie ook foto hieronder). Floris Hazemeyer begon voor zichzelf in 1907 en richtte het wereldberoemde Hazemeyer concern op, bekend van o.a. het gesloten schakelmateriaal. In vrijwel elke meterkast in Nederland was vroeger fabricaat Hazemeyer te vinden.
i Spanningsmeter Hofstede Crull & Willink afkomstig uit de centrale in Borne (1901). Bron: Elektriciteitsmuseum Hoenderloo De centrale in Borne werd in 1901 nog uitgebreid met een zuigerstoommachine van de firma Sepp & Co uit Enschede en met enkele nieuwe gelijkstroommachines. Mede echter doordat Hofstede Crull rond 1900 was afgetreden als directeur en de exploitatie moeizaam verliep, besloot het bedrijf in 1904 tot inkoop van de benodigde elektriciteit bij het, eveneens door Hofstede Crull, in Hengelo gestichte elektriciteitsbedrijf'TCS', waarover later meer. De BEM heeft, als distributiebedrijf, haar concessietermijn tot 1929 volgemaakt en werd in dat jaar omgezet in een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf. Dit GEB werd vervolgens in 1972 overgenomen door de NV elektriciteits Maatschappij Ilsselcentrale" en dat bedrijf ging in 1987 op in het productiebedrijf EPON en het distributiebedrijf EDON. Terborg, Elst, Driebergen- Doorn, Terneuzen, Genemuiden, Zwartsluis, Hasselt, Groenlo en Lichtenvoorde Elektrische centrale Driebergen-Doorn
Bron: 05-04-1901 Nieuws van den Dag, foto's bron: Monumenten Inventarisatie Provincie Utrecht, 1996; Driebergen-Rijsenburg, Geschiedenis en Architectuur
Oprichting Mij "Elistha" te Elst 08-02-1898. Bron: Nieuws van den dag Ook in Terborg waren er direct al problemen. In de fabriek bij Vulcaansoord stond een transformator opgesteld, die de spanning van de één fase generator moest verhogen tot de transportspanning van 2000 Volt. In het stadje was een tweede transformator geplaatst die de spanning weer moest verlagen tot de in woningen veilig geachte waarde van 110 Volt. Op de avond van de eerste maart 1898, toen de openbare verlichting in de straten nog maar nauwelijks ontstoken was en het toegestroomde publiek nog lang niet uitgepraat was over het nieuwe wonder, was het ook al direct weer afgelopen. Naar achteraf bleek, waren de transformatoren onvoldoende gedroogd en kon het gebeuren dat één van beide geheel uitbrandde en de andere ook brandschade opliep aan de wikkelingen." In het gedenkboek, uitgegeven ter gelegenheid van het 25 jarig jubileum van de VDEN, de Vereniging van Directeuren van elektriciteitsbedrijven in Nederland, staat over het gebeuren: Historisch is het oogenblik, waarop tijdens de feestelijke opening de beide lucht gekoelde transformatoren doorbrandden, daar niet voldoende aandacht besteed was aan het drogen dezer toestellen. Typerend voor de ondernemingsgeest van den heer Hofstede Crull was het, dat hij zich terstond des nachts in zijn automobiel (een toen nog zeer modern en gevaarlijk vervoermiddel) naar Frankfurt aid Main begaf en den volgenden avond reeds in een sneeuwstorm terugkeerde met twee nieuwe transfomatoren, met een reisdeken toegedekt, zodat den volgenden dag de verlichting opnieuw, en nu meer definitief, in werking kon worden gesteld'." Bij het waarheidsgehalte van deze weergave kunnen wel wat vraagtekens geplaatst worden. In de eerste plaats schrijft Hofstede Crull er zelf niets over. Een artikel van zijn hand, in het gedenkboek ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de K.N.A.C. in 1923, handelt over zijn eerste ervaringen met De automobiel Dyon Bouton, waarmee Hofstede Crull de tocht naar Brux maakte. Tijdens de spoorwegstaking van 1903 vervoerde hij te Hengelo de militaire commandant met deze auto. motordriewielers en automobielen. Hij beschrijft daarin wel een tocht, omstreeks 1902, van Hengelo naar Brux in Oostenrijk (nu 'Most' geheten, ten noord-westen van Praag) en somt talrijke problemen op die hij onderweg moest overwinnen. Het lijkt niet waarschijnlijk dat hij vier jaar eerder al eens een soortgelijke tocht gemaakt zou hebben, zonder die tocht te noemen in dat artikel. Ook schrijft hij dat zijn vervoermiddel in 1898 nog een motordriewieler van Dion Bouton was. Hij bezat op dat moment dus nog geen echte auto. Hofstede Crull hield echter wel van een stunt. Het lijkt waarschijnlijker dat hij de transformatoren, na telegrafische bestelling, met de trein naar Arnhem of naar een ander spoorstation heeft laten komen en alleen het laatste stukje tot Terborg met een (geleende?) automobiel heeft afgelegd.
De automobiel Dyon Bouton, waarmee Hofstede Crull de tocht naar Brux maakte. Tijdens de spoorwegstaking van 1903 vervoerde hij te Hengelo de militaire commandant met deze auto. De exploitatie van het bedrijf in Terborg was ook moeizaam. Zowel technisch als financieel waren er voortdurend problemen, maar men zette door en het bedrijf heeft de lampen brandende weten te houden. Op 1 september 1920 werd besloten het geheel over te dragen aan de gemeente Wisch." Voor Hofstede Crull heeft ook dit bedrijf geen groot financieel gewin gebracht. De winst voor hem school veel meer in de nieuw opgedane ervaringen. Na hetgeen over de eerder tot stand gekomen bedrijven is gezegd kan over Elst, Driebergen en Doorn, in het kort iets gezegd worden. Ook daar vele problemen, ook daar geen groot financieel succes, maar ook daar nieuwe ervaring en een nieuwe bijdrage aan de naamsbekendheid van Hofstede Crull en zijn installatiebedrijf. Terneuzen Op deze foto zien we de 2e Kortestraat in Terneuzen. Deze straat is van ± 1900. Op de foto de 2e Kortestraat gezien vanaf de Korte Dijkstraat. De 2e Kortestraat is dus een zijstraat van de Korte Dijkstraat. Op het eind in deze straat werd in 1900 een elektrische centrale gebouwd. Op 15 februari 1901 beschikte Terneuzen als 1e plaats in Zeeland over elektrische verlichting. De elektrische centrale was eigendom van de Industriële Mij. uit Amsterdam die het exploiteerde tot 1 april 1930 toen de centrale werd overgedragen aan het P.Z.E.M. Op dat moment werd gelijkstroom vervangen door wisselstroom. Het aantal aansluitingen in Terneuzen groeide in die periode van 350 tot ruim 1500. Tussen 1921 en 1923 werd de elektrische centrale “Westdorpe” gebouwd aan de westzijde van het Kanaal van Gent naar Terneuzen tussen Sluiskil/Stroodorpe en Driekwart. Deze centrale werd in 1957 buiten gebruik gesteld. Naast het terrein van de voormalige centrale heeft Delta nog steeds een schakelstation in gebruik. De gebouwen van de elektrische centrale aan de 2e Kortestraat werden later in gebruik genomen door de firma A.L. de Vin.
De eerste elektrische straatverlichting in Zeeland aan de vestingbrug in Terneuzen (1900). Links: Vlissingsche Courant 06-12-1897, rechts: 27-01-1899
Elektrische straatverlichting aan de Grenulaan in Terneuzen rond 1900.
De concessie voor de centrale in Terneuzen kon in 1899 in eerste instantie niet door Hofstede Crull verlengt worden vanwege geldgebrek. De Industriele Maatschappij te Amsterdam zorgde voor het benodigde kapitaal, 20-05-1899, Middelburgsche Courant. Gememuiden, Zwartsluis en Hasselt
Nog een concessie voor elektrische verlichting door Hofstede Crull, ditmaal in Genemuiden, Zwartsluis en Hasselt. (1897, bron nieuws van den dag).
Concessie voor elektrische verlichting in Groenloo en Lichtenvoorde, Bron: Het nieuws van den dag, 13-03-1897 De lijst van elektriciteitscentrales die Hofstede Crull opgericht heeft is enorm en ik vind steeds meer steden waar hij bij betrokken is geweest. De firma 'Hofstede Crull en Willink' Door de toenemende bekendheid van Hofstede Crull en door de participatie van Willink begon de groei van het bedrijf te versnellen en de Bornse vestiging werd te klein. In 1900 verhuisde het bedrijf naar Hengelo en het vond onderdak in een gehuurd pand aan de Thiemsbrug. De manier waarop Hofstede Crull zijn bedrijven opbouwde was niet al te bescheiden. In het Hengelo's Educatief Industrie Museum, het HEIM, wordt zijn grootboek bewaard dat loopt van I november 1896 tot 31mei 1899. In dat boek wordt een 41-tal Duitse leveranciers aangetroffen met een eigen lopende rekening. Daarbij, naast de groten als AEG en Siemens, ook vele kleine en gespecialiseerde bedrijven. Onder 'diverse crediteuren' nog 48 Duitse bedrijven, waar wat minder frekwent zaken mee gedaan werden. Ook vier Engelse bedrijven, één Amerikaans en een lange reeks Nederlandse bedrijven. Zij alle tezamen maken het boek tot een indrukwekkend monument van ondernemersgeest, nu 1OO jaar geleden. Het bovenstaande verbaast nog meer als men bedenkt dat er volgens het gemeenteverslag van Borne over 1896 op dat moment bij Hofstede Crull slechts vijf mannelijke arbeidskrachten in dienst waren, plus twee jongens in de leeftijd van 12 tot 16 jaar. Totaal dus zeven personeelsleden. Ongetwijfeld moet dat aangevuld worden met tekenaars, met de (parttime ?) boekhouder en wellicht anderen, maar toch een bescheiden gezelschap in vergelijking met het grote aantal handelsrelaties. Tussen 1900 en 1907 groeide de firma snel en in dat laatste jaar werd, schuin tegenover de gehuurde werkplaats, op het terrein van de eerder genoemde 'hof te Hengelo' een nieuwe fabriek voor eigen elektrotechnische producten en een nieuwe montagewerkplaats gebouwd. Ook kwam er een nieuw magazijn, een kantoorgebouwen een goed ingerichte tekenkamer" Door de aanhoudende groei waren er ook voortdurend nieuwe financieringsproblemen waardoor die groei toch wat geremd werd. In februari 1908 werd daarom de firma omgezet in een naamloze vennootschap, de 'Hengelosche elektrische En Mechanische Apparaten Fabriek' HEEMAF. Vanaf dat moment geen grote financiële problemen meer, maar nu wel commissarissen die de gang van zaken kritisch volgden en lastige vragen konden stellen.
Kijkje in de fabriek van de Heemaf (1920-1925)
19-04-1913 Algemeen Handelsblad. Het 'Twentsch Centraal-Station voor elektrische Stroomlevering' TCS
De oprichtingsvergadering van wat zou gaan heten, het 'Twentsch Centraal Station voor elektrische Stroomlevering', het TCS, vond plaats op 15 januari 1901. Op 31 januari werd de koninklijke bewilliging verkregen en op 7 maart 1901 passeerde ten overstaan van notaris Verbeek de akte van oprichting. Voor Hofstede Crull waren dat Waarschijnlijk alleen maar lastige bijkomstigheden.
Een vroege foto van het Twentsch Centraal voor Electrische Stroomlevering (TCS). Deze werd in 1951 overgenomen door de IJC. Vanaf 1960 heette dit de NV Electriciteitsmaatschappij IJsselcentrale en vanaf 1988 NV Energiebedrijf IJsselmij. Merkwaardig is namelijk dat het bedrijf sedert 26 oktober 1900 al elektriciteit leverde. Doordat met het staats spoor een contract gesloten was met als datum voor eerste levering, I november 1900, was er haast en dus moest het bedrijf maar starten op naam van Hofstede Crull en Willink. De organisatie blonk voor buitenstaanders niet uit door duidelijkheid. Het was vaak moeilijk de activiteiten van de firma Hofstede Crull en Willink los te zien van die van het TCS.
De elektrische centrale in Borne 1900 Allereerst lagen de bedrijven pal tegen elkaar aan en was de directie van het TCS toevertrouwd aan de firma Hofstede Crull en Willink, dus feitelijk aan de firmanten. Verder werd de administratie van het TCS verzorgd door de firma en ook werden de installaties ontworpen en uitgevoerd door de firma Hofstede Crull en Willink. De firma ontving voor die werkzaamheden een 'bouwsalaris' van het TCS. Soms leidde de werkwijze weleens tot kritische kanttekeningen in de aandeelhoudersvergaderingen van het TCS, maar echte problemen zijn er nooit uit ontstaan. Het was merkwaardig, maar het werkte. De centrale werd gebouwd in de tuin van Hofstede Crull's woonhuis en volgens everlevering moesten, zeer tegen de zin van mevrouw Hofstede Crull, haar juist aangelegde aspergebedden wijken voor de centrale. Men ging van start met een tweedehands ketel en een ook al gebruikte zuigerstoommachine. Waarschijnlijk heeft men dat gedaan om de lange levertijd voor nieuwe installatiedelen te ontlopen en niet uit financiële overwegingen. Een nieuwe ketel en een nieuwe zuigerstoommachine waren namelijk al wel in bestelling, maar zij zouden pas in de zomer van 1901 geleverd kunnen worden en dat was te laat.
Weer een tweetal noviteiten. Voor de eerste maal was er in Nederland sprake van intergemeentelijke elektriciteitsvoorziening en voor de eerste maal werd een draaistroom-hoogspanningslijn gebouwd. Draaistroom is de populaire aanduiding voor wat beter 'driefase wisselstroom', genoemd zou kunnen worden. Het is het systeem waaronder momenteel vrijwel elke elektriciteitslevering in de wereld plaatsvindt en waarvan niet spoedig meer afgestapt zal worden. De levensvatbaarheid van het systeem werd voor het eerst duidelijk aangetoond op de eerder genoemde tentoonstelling in Frankfürt en Hofstede Crull blijkt daar zijn ogen goed open gehad te hebben. Voor de voeding van Delden dus een zes kilometer lange draaistroom-hoogspanningslijn, onder een spanning van 4 kV (kiloVolt). De eerste kilometer vanaf de centrale werd ondergronds gelegd, waardoor de bebouwde kom van Hengelo gespaard bleef voor een bovengrondse hoogspanningslijn en het geheel aan betrouwbaarheid won. In september 1904 werd, zoals eerder opgemerkt, ook Borne aangesloten aan het net van het TCS. Ditmaal een ondergrondse kabel voor het gehele tracé en de nodige ombouw bij Bornse verbruikers. In Borne werd namelijk nog gelijkstroom geleverd en vanuit Hengelo kwam driefase wisselstroom binnen. Voor gloeilampen of verwarmingselementen maakte dat niet veel uit, maar de elektromotoren bij sommige klanten moesten omgewisseld worden.
In 1914 bezocht het KIVI de Heemaf. Hofstede Crull vinden we op de tweede rij, uiterst links met snor. Het bedrijf in Hengelo groeide intussen snel. Het groeide zelfs zó snel, dat de aangeschafte machines telkens vér voor het einde van de gekozen afschrijftermijn al weer te klein waren. Regelmatig moesten relatief nieuwe machines vervangen worden door grotere exemplaren, terwijl de afschrijvingen nog liepen. Vaak was het nog wel mogelijk de machines tegen boekwaarde van de hand te doen, maar voordelig pakte dat nooit uit." Ondanks de aanvankelijk welhaast onoverkomelijke financieringsproblemen, is het bedrijf toch voorspoedig gegroeid. In 1909 werd concessie verworven in de gemeente Lonneker, waardoor het leveringsgebied werd uitgebreid tot aan de Duitse grens. Vervolgens besloot de gemeente Enschede in 1910, haar eigen opwekking te beëindigen en engross in te gaan kopen bij het Hengelose bedrijf. Via de voedingsleidingen naar Lonneker werd het in 1910 ook mogelijk een deel van het Duitse Gronau te voeden, waardoor het geheel een internationaal tintje kreeg. In 1913 werd de levering aan 'De Berkelstreek' gestart en in 1915 die aan Goor. Doordat de rijksoverheid vanaf ongeveer 1911 de elektriciteitslevering door particuliere bedrijven steeds meer aan banden ging leggen, nam het groeitempo van het TCS na die tijd wat af Weliswaar werd het leveringsgebied van het TCS in 1918 nog uitgebreid et Losser en Oldenzaal, maar er kwamen steeds meer beperkende bepalingen. In 1917 werd de rijksconcessie voor geheel Overijssel en het zuiden van Drenthe in handen gegeven van de in 1911 gestichte 'N.V. elektriciteitsfabriek IJsselcentrale' te Zwolle, waardoor de rechtspositie van het TCS sterk verzwakte. Naarmate het kabelnet van de IJsselcentrale dat van het TCS naderde, ontstonden er dan ook steeds meer problemen. De IJsselcentrale claimde haar recht op levering in het TCS-gebied, dat immers deel uitmaakte van de provincie en het TCS maakte aanspraak op het gebied, krachtens gemeentelijke concessies en stroomleveringsovereenkomsten met gemeenten. Doordat het TCS goedkoper kon leveren dan de IJsselcentrale waren de diverse gemeenten in Twente ook niet erg gebrand op veranderingen en de onenigheden sleepten zich lang voort. Het TCS heeft zich ontwikkeld tot verreweg het grootste particuliere elektriciteitsbedrijf dat Nederland gekend heeft. Het werd, na een roerig bestaan van 50 jaren, in 1950 overgenomen door de IJsselcentrale en het ging per I januari 1951in liquidatie. Zoals nog te zien, heeft Hofstede Crull het bedrijf in 1920 verlaten. Hij liet het achter in een staat van ongekende groei en klaar om de toekomstige ontwikkelingen het hoofd te kunnen bieden.
Toen in 1909 het Hengelose TCS concessie verwierf in het geheel rondom Enschede gelegen Lonneker en het TCS-net zich als het ware rondom Enschede sloot, stond Enschede voor een dilemma. Haar eigen centrale was juist weer aan een forse uitbreiding toe en men kon kiezen tussen zelfstandig blijven en zelf uitbreiden of in te gaan op de aanbieding vanuit Hengelo voor engross levering. Gekozen werd voor de laatste optie. De overeenkomst met de firma Hofstede Crull en Willink betreffende de exploitatie, die al eens verlengd was, werd nu opgezegd en de gemeentebedrijven kregen een eigen directeur." Vanuit Hengelo werd op kosten van Enschede een kabel gelegd en een tweede verbinding kwam tot stand via het net in Lonneker. Het betekende weer een noviteit. De kabel naar Enschede kwam in april 1910 onder spanning en het was daarmee de eerste 10 kV-kabelverbinding voor openbare elektriciteitsvoorziening in Nederland. Bij deze laatste ontwikkelingen mag gerust gesproken worden van een Twents onderonsje. In de Twentse steden waren vele fabrikanten tevens raadslid of zelfs wethouder. De fabrikanten bezaten elkaars aandelen en commissariaten waren meermalen gekruist. De firma Hofstede Crull en Willink was omgezet in de NV HEEMAF, met vele textiel- en machinefabrikanten onder de aandeelhouders of als commissaris. Hetzelfde beeld bij het TCS. Hier werd in 1909 de directie niet meer gevoerd door de firma Hofstede Crull en Willink, maar door de heren Hofstede Crull en Den Tex. De heer Den Tex kwam van buiten Twente, maar hij was in de financiële nood van het TCS grootaandeelhouder geworden en kreeg als dank de directeurspost aangeboden. Soms ontstonden grappige situaties. In het jaarverslag van het TCS over 1909 lezen we: 'Bij het plaatsen van de aandelen voor de concessie Lonneker, werden wij krachtig terzijde gestaan door de firma Hofstede Crull en Willink, waarvoor hen dank toekomt'. Was getekend: R.W.H.Hofstede Crull en H.P.G. den Tex.31 De GEB Enschede zijn als distributiebedrijven zeer lang zelfstandig gebleven. Het elektriciteitsbedrijf werd in de jaren tachtig omgezet in 'IJsselmij Enschede' en dat bedrijf maakt thans deel uit van het EDON-concern. KIVI
Nummer48 = Rento Hofstede Crull Bron: Brush Ridderkerk
Interprovinciaal Kabelnet, zutphense Courant 1909 Het waren vooral de steden Zwolle, Deventer en Zutphen die huiverig bleken voor het particuliere initiatief en die liever iets tot stand wensten te brengen in de overheidssfeer. Met het stichten van de IJsselcentrale in 1911 door die drie steden was het hart uit het project verdwenen en daarmede de Rentobiliteit. Als enig tastbaar resultaat van de groots opgezette onderneming restte in 1913 de elektriciteitsmaatschappij 'De Berkelstreek'. Dat was een intergemeentelijk samenwerkingsverband, waarin aanvankelijk de gemeenten, Borculo, Eibergen en Neede participeerden en later ook Diepenheim en Ruurlo. Bij het tot stand komen van De Berkelstreek, was naast Hofstede Crull ook de burgemeester van Borculo, Bloemers, erg actief. De Berkelstreek betrok de benodigde elektriciteit van het TCS in Hengelo en het heeft bestaan tot 1987, het jaar waarin het opging in de Provinciale Gelderse Elektriciteitsmaatschappij PGEM.
Interprovinciaal kabelnet, zutphense Courant 1910 Transformatoren voor elektrische centrale Gouda (1909)
Nieuwe Leidsche Courant 23-11-1909 In 1910 werd op het terrein van de gemeentelijke gasfabriek een elektriciteitscentrale gebouwd. De oude gebouwen van het Proveniershuis moesten wijken voor een functionalistische nieuwbouw en vanaf dat moment werd het gas-en-elektriciteitsbedrijf aangeduid als de ‘Goudsche Lichtfabrieken’. De nieuwe ‘draaistroomcentrale’, zoals wisselstroom destijds heette, werd aangedreven door stoomturbines. In de stad werden verschillende transformatorstations gebouwd door Heemaf en Smit Slikkerveer voor de omzetting van de hoogspanning naar de 110 volt die op dat moment de norm was. Zelfs onder het balkon van het stadhuis werd een ruimte afgescheiden als transformatorstation. Bij oplevering van het gebouw was er in de machinehal plaats voor 2 turbines en 2 transformatoren. Bron: dnbl.org
Bron: Archief Brush HMA Riddekerk
Transport van een transformator van Willem Smit & Co's Transformatorenfabriek t.b.v. GEB Gouda (1914) Bron: Smit Nijmegen Historisch Genootschap Zuid-Limburg Al in 1906, maakte Hofstede Crull plannen voor electrificatie van Zuid Limburg. Hij correspondeerde over het onderwerp met D.W. Stork in Hengelo en hij onderhandelde met Limburgse instanties." De staatsmijnen in Limburg waren enkele jaren daarvoor in het leven geroepen en er was veel kolenafval beschikbaar, dat in centrale-ketels wel verstookt zou kunnen worden. Hij wilde een particuliere centrale stichten, gestookt met afvalkolen en een elektriciteitsnet over geheel Zuid Limburg aanleggen. Later bleek het echter voordeliger om de elektriciteit in te kopen bij de staatsmijnen en alleen de distributie ter hand te nemen." Bij de staatsmijn Wilhelmina (tussen Heerlen en Kerkrade) was men in 1904 begonnen met elektriciteitsopwekking voor het eigen bedrijf. De mijncentrale moest in 1906 al worden uitgebreid en in 1908 volgde de koppeling met de mijnen Emma en Laura. Doordat het mijnbedrijf snel expandeerde, moest ook de elektriciteitsproductie telkens uitgebreid worden. Voor de staatsmijnen betekende het eventueel leveren van elektriciteit aan een instelling voor openbare elektriciteitsvoorziening geen grote extra inspanning. Men zou eigenlijk alleen de nieuwe machines groter moeten kiezen. Of de eigen centrale groot of klein zou zijn, maakte voor het aantal benodigde personeelsleden ook niet geweldig veel uit. Hofstede Crull startte, na overleg met Stork, de onderhandelingen met het mijnbedrijf en men werd het eens over de aan de staatsmijnen te betalen kWh-prijs. Uiteraard deed Hofstede Crull het niet in zijn eentje. De eerder genoemde machinefabrikant D.W. Stork en de directeur van de Twentse Bank. Roelvink. waren van meet af aan in het project betrokken en Hofstede Crull overlegde regelmatig met hen. Later kwamen er ook anderen bij en men trok de directeur van het Haagse elektriciteitsbedrijf, de heer Singels, aan als adviseur. Bovendien correspondeerde Hofstede Crull in 1908 over het onderwerp met.professor C. Feldmann in Delft. Hofstede Crull was echter de initiator van het geheel. Hij zocht ook de deelnemers in het benodigde maatschappelijk kapitaal van 130.000,- bij elkaar." Op 3 september 1909 werd de 'Maatschappij tot Verkoop van den elektrischen Stroom der Staatsmijnen in Limburg', kortweg de 'Stroom Verkoop Maatschappij' SVM, tot stand gebracht en dadelijk werd begonnen met de kabellegging van de mijn Wilhelmina naar Maastricht. In juni 1910 kwam de kabel onder spanning en op I juli 1910 kon de elektriciteitslevering aan Maastricht beginnen. Ook de SVM groeide snel en binnen enkele jaren was een fors deel van Zuid Limburg aangesloten. In 1917 werden bijna alle aandelen van de SVM overgenomen door de provincie en in 1932 werd de SVM omgezet in een provinciaal bedrijf, de PLEM. De SVM kon goedkoop geëxploiteerd worden doordat in de beginjaren de activiteiten van de HEEMAF en die van de SVM gekoppeld bleven.
Sinds 1899 bestond in Hilversum, de Hollandsche elektriciteits Maatschappij HEM, met centrales in Hilversum en in Naarden." In 1911 moest het productievermogen uitgebreid worden en ook was er kapitaal nodig voor aansluiting van omringende plaatsen, maar de financiering gaf problemen. Hofstede Crull kende de situatie en hij stelde de HEEMAF-commissarissen in de vergadering van 10 maart 1911voor het gehele aandelenpakket van de HEM over te nemen. Zij gingen akkoord en na enig onderhandelen nam HEEMAF het pakket van 115.000,- over voor 181.000,-.
Aanstonds werd begonnen met de uitbreiding van de centrale in Naarden. Ook de ombouw van gelijkstroom, naar draaistroom werd ter hand genomen alsmede de elektrificatie van omringende plaatsen.
Opening elektrische centrale Naarden (1899). Bron: Stadsarchief Naarden.
Tot directeur van het Gooise bedrijf werd J.c. de Koek van Leeuwen benoemd en commissaris werden: J.B. Roelvink, B.W. ter Kuile, J.G. Bellaar Spruyt, R.W.H. Hofstede Crull en W. Willink. Ook hier een Twents onderonsje: de heren Roelvink, ter Kuile en Willink waren zwagers van elkaar. In 1916 nam de provincie voor HFL 500.000,- alle aandelen van de HEM over en werd het bedrijf opgenomen in het Provinciaal elektriciteitsbedrijf Noord Holland, het PEN. De HEM ging per I januari 1917 in liquidatie.
HEM centrale rond 1905. Bron: Goois museum
De eerste wereldoorlog
Voor en tijdens WO I produceerde de Heemaf ook dit soort generatorwagens voor het Nederlandse leger.
In mei 1915 trok Hofstede Crull, in opdracht van een groot aantal Nederlandse bedrijven, naar de Verenigde Staten om te trachten daar de nodige materialen los te krijgen. Toen hij enkele maanden later terugkeerde had hij vele contracten afgesloten en konden vele ondernemers zich gelukkig prijzen dat hij de reis ondernomen had. Na verloop van tijd kwamen de bestelde materialen langzamerhand binnen, maar ondanks dat werd de situatie toch niet veel gunstiger. Er was veel meer nodig dan er binnenkwam en de discussies over de vraag aan wie een bepaalde zending nu wel toebehoorde waren soms heftig. Gedurende de Eerste Wereldoorlog verdertigvoudigde de koper prijzen en de nog tegen normale prijzen gekochte Amerikaanse materialen waren uiterst welkom.
Het Brabantse werk vereiste veel materiaal en Hofstede Crull was huiverig om het aan te nemen omdat er veel risico's aan kleefden. Nadat het contract in 1916, in weerwil van de twijfel. toch getekend was, waren er ook direct al weer problemen. In het concept-contract was een koper- en ijzerclausule opgenomen, die inhield dat bij oplopende grondstofprijzen verhogingen doorberekend zouden mogen worden aan de opdrachtgever. Het definitieve contract werd door de PNEM verzorgd en het werd door Hofstede Crull. zonder nadere bestudering getekend. Tot grote woede van Hofstede Crull bleek de ijzerclausule in het definitieve contract te ontbreken. Hij sprong dadelijk uit zijn vel en eiste ogenblikkelijke correctie. Toen de PLEM daartoe niet aanstonds 'bereid was, sloeg hij met zijn vuist op tafel en zei in het bijzijn van de chef van zijn installatiebureau, dat HEEMAF vanaf dat moment uit het contract zou halen wat er maar uit te halen zou zijn. Later zou blijken dat de chef installatiebureau dat goed verstaan had.
HEEMAF-complex te Hengelo in 1917. Op de voorgrond het woonhuis dat in 1912 onderdeel werd van het erachter gelegen HEEMAF-kantoor. Achter het kantoor Ten behoeve van het Brabantse werk werd in 's-Hertogenbosch een apart bouwbureau ingericht, vanwaaruit het gehele werk geleid kon worden. Afhankelijk van de materiaalaanvoer, verliepen de werkzaamheden nu eens ,vlot en dan weer in het geheel niet. Het werd een moeizaam proces en er ging van alles mis. Ook was er op de juistheid van de afrekeningen wel dikwijls wat aan te merken. Zo bleek later dat de boekhoudingen in 's-Hertogenbosch en in Hengelo niet altijd met elkaar in overeenstemming waren. Ook werden kabellengtes wel eens erg in het voordeel van HEEMAF gemeten en de kwaliteit van het geleverde koper was soms beneden de 'standaard. Een enkele maal waren de onenigheden ook wel eens grappig. HEEMAF moest bijvoorbeeld volgens contract bij alle hoogspanningsmasten koperen aardplaten ingraven met een oppervlakte van 1 m2. Eén der HEEMAF-employees kwam na enige tijd op hetidee dat een plaat van 0,5 mz, eigenlijk een oppervlak had van I rnz, omdat de elektrische stromen aan beide zijden konden uittreden en men ging over tot halvering van de platen. Dat Van Swaay deze rekenwijze van HEEMAF niet zou kunnen volgen, lag voor de hand en zijn protest bleef natuurlijk niet uit. Legio waren de onenigheden en de sfeer op het werk was niet altijd even plezierig. Tussen de bedrijven door correspondeerde de heer Keus veel met professor Van Swaay. In 1917 en 1918 schreef Keus vaak meerdere malen per week aan hem. Onderwerpen van correspondentie waren uiteraard de gemeenschappelijke patenten, het wel en wee van de apparatenfabriek, maar vooral ook de positie van Keus binnen HEEMAF, zijn promotiekansen en de algemene gang van zaken, die Keus allerminst aanstond. Keus vertrouwde de chef van het installatiebureau niet en hij vond dat Hofstede Crull die functionaris te veel de hand boven het hoofd hield. Sommige klanten werden bevoordeeld en vaak kwamen juist de goede klanten op de tweede plaats. Een enkele keer schrijft Keus over gebeurtenissen die 'ik liever eens onder vier oogen met U zou willen bespreken'. Uit de brieven moet Van Swaay wel geconcludeerd hebben dat hij er verstandig aan zou doen om de boekhouding rond het Brabantse werk eens met meer dan normale belangstelling te bestuderen.
19-04-1913 Algemeen Handelsblad Als gezegd; er was het één en ander mis en Van Swaay wendde zich rechtstreeks tot de commissarissen van HEEMAF voor nader onderzoek. De vraag was of Hofstede Crull zelf ook weet had van wat er in Brabant gebeurde of dat dit alleen het werk was van de chef installatiebureau. Die chef bleek na onderzoek veel boter op zijn hoofd te hebben. Samen met twee buitenstaanders had hij een handelsfirma in het leven geroepen, die bij HEEMAF tegen relatief normale prijzen veel materiaal inkocht en dat weer tegen woekerprijzen doorverkocht. Doordat hij volledige procuratie had, kon hij op die manier aan deze kettinghandel geweldig veel verdienen. De chef van het installatiebureau werd op staande voet ontslagen en het onderzoek ging door." Enkele dagen vóór dat ontslag hadden Keus en Wiersum, de chef van de motorenfabriek, hun ontslagaanvrage ingediend bij Hofstede Crull. Zij gaven geen erg duidelijke reden voor die stap, maar in een gesprek met de gedelegeerd commissaris lieten zij wel merken dat zij met de gang van zaken bij HEEMAF niet gelukkig waren. Doordat zowel Hofstede Crull als de commissarissen de beiden heren niet wilden missen, werd gezocht naar een oplossing. Al lange tijd was het de commissarissen een doorn in het oog dat Hofstede Crull hen telkens weer voor voldongen feiten plaatste, zonder noemenswaardig overleg. Daarnaast waren zijn vaak impulsieve gedragingen en zijn driftbuien berucht. Het was kortom toch al geen prettig mens om mee samen te werken en nu kwamen vele perikelen kort na elkaar. Ook was zijn gedrag, juist in 1918, nog weer veelonstuimiger en merkwaardiger geworden. Het kwam er eigenlijk op neer dat hij door het vele werk van de laatste jaren, flink overspannen was geraakt en daardoor nog moeilijker te hanteren dan normaal. Als illustratie van zijn merkwaardige handelen mag de gang van zaken met betrekking tot zijn woonhuis dienen. In 1912 had hij een mooie villa gekocht op het 'Wilbert' in Hengelo. Tussen 1912 en 1918 werd de villa ingrijpend verbouwd en in 1918 stond er een juweel van een woning, met alle denkbare luxe en mooi gelegen in het bos. De gemeente Hengelo wilde echter in de nabijheid de nieuwe woonwijk 'Het Wilbert' bouwen en Hofstede Crull moest grond afstaan. Hij kon met de gemeente niet tot overeenstemming komen en hij heeft in 1918, uit boosheid, de gehele villa laten afbreken en enkele meters buiten de gemeentegrens een nieuwe villa, het 'Weusthag', weer laten opbouwen.
Uiteraard waren de commissarissen op de hoogte van dit merkwaardige gedrag en nu er nog weer andere zaken bij kwamen besloten zij in te grijpen. Naast Hofstede Crull en Willink werden twee andere directeuren benoemd. Men wenste Keus als directeur, maar wegens de eerdere afspraken kon men niet meer om Frits Willink heen en moesten het er twee worden. Aanvankelijk stemde Hofstede Crull in met de benoemingen, maar na korte tijd veranderde hij van mening. Hij wilde wel iets worden als 'president directeur', of op andere wijze de belangrijkste zijn, maar de volledige gelijkwaardigheid kon hij niet accepteren. Per I mei 1919 trad hij daarom af als directeur en dat was 25 jaar en één maand nadat hij het bedrijf in Borne begonnen was. Na zijn aftreden liepen de onderzoeken naar de Brabantse onregelmatigheden door en men vond nog enkele zaken waarin ook Hofstede Crull niet vrijuit ging. In het HEEMAF magazijn lag in 1918 een partij koper van 25 ton, die in 1915 in de Verenigde Staten gekocht was. Hofstede Crull bood de partij in 1918 voor een hogere prijs aan professor Van Swaay aan. Hij motiveerde die hogere prijs door te beweren dat de partij toebehoorde aan het TCS, waar hij ook directeur was en gaf aan dat de commissarissen van het TCS de partij wel wilden afstaan tegen de hogere prijs. Ook gaf hij een hogere inkoopsprijs op dan in werkelijkheid betaald was. Het verhaal klonk plausibelomdat het TCS een nieuwe voedingslijn naar Eibergen had geprojecteerd, waarvoor uiteraard koper nodig was. Voor die lijn kwamen de vergunningen echter niet af, wegens de rem van de overheid op particuliere initiatieven en het koper lag ongebruikt in het magazijn. Het is niet onmogelijk dat Hofstede Crull het bewuste koper inderdaad had voorbestemd voor het TCS, maar volgens de boekhouding behoorde het toe aan HEEMAF. Hofstede Crull had dus een onjuiste voorstelling van zaken gegeven en de wakker geworden Van Swaay stelde er indringende vragen over en vroeg om een schriftelijk bewijs over de inkoopsprijs. Hofstede Crull heeft toen de domme fout begaan om een cijfertje te veranderen in een brief en dat kwam later natuurlijk aan het lieht. Veel beter had hij gewoon kunnen zeggen dat hij het vertikte om de kans op forse winst voorbij te laten gaan. Het was ook daarom zo dom omdat het plaats vond in januari 1919, toen het onderzoek naar de gang van zaken in Brabant alliep en hij kon weten dat er op hem gelet werd. Waarschijnlijk is veel van het gebeurde terug te voeren op de toestand waarin Hofstede Crull in 1918 verkeerde. In zijn overspannenheid deed hij dingen waar hij later ongetwijfeld spijt van gehad zal hebben. Toen Hofstede Crull het bedrijf op 1 mei 1919 verliet telde het ongeveer 1590 medewerkers. Het bestond uit een fors installatiebureau en een grote fabriek. Het grondoppervlak van de fabriek was 23.200 m2, met daarin een flinke motoren fabriek, een apparaten fabriek, montage werkplaatsen, magazijnen, tekenkamers en kantoren. Het geheel was binnen 25 jaar tot stand gekomen en het was nog maar een gedeelte van alles wat in voorgaande jaren door het werk van Hofstede Crull was opgezet. Huldiging
De Langestraat te Delden in december 1911. De aanleg van de eerste 10 kV kabel naar de fabriek van Arnzt Jannink in Goor van 17 kilometer lengte. In de kabelsleuf de voorman A.F.S. Schultze, die reeds sinds 1896 in dienst was van Hofstede Crull. Enkele nevenactiviteiten
Ongeluk
Bron: Gorcumer Courant 26-03-1909 Toen in 1916, het Arnhemse bedrijf 'American Refined Motor Company' in geldnood kwam, stelde Hofstede Crull aan commissarissen voor het bedrijf te redden door er financieel in te gaan deelnemen. Commissarissen stemden toe, het bedrijf verhuisde naar Borne en Hofstede Crull werd gedelegeerd commissaris. Ook dit bedrijf was klein, maar het drukte ook de liefde van Hofstede Crull uit voor alles wat met benzinemotoren te maken had. Als herinnering aan dat bedrijf bestaat momenteel in Borne nog de wijk 'Het Refined'. Naast deze activiteiten waren er nog enkele andere commissariaten en was hij lid van de kamer van koophandel. Directeurschap TCS
Enkele ondernemers stelden het verdwijnen van Hofstede Crull als voorwaarde voor deelneming en de commissarissen van het TCS zaten met een fors probleem. Enerzijds had Hofstede Crull het bedrijf steeds voortreffelijk gediend en hij had het groot gemaakt. Anderzijds moest er persé op korte termijn uitgebreid worden en daar was veel geld voor nodig." Men heeft Hofstede Crull op subtiele wijze laten weten dat het verstandig zou zijn als hij uit zichzelf ontslag zou nemen. Hij begreep de wenk en in 1920 nam hij ontslag als directeur van het TCS. De ereraad Na een lang slepend onderzoek kwam de raad in juni 1922 met de volgende uitspraak: 'Onze conclusie is, dat de heer Hofstede Crull, als directeur van de Heemaf, al strekten zijne bemoeiingen zich ook in het bijzonder uit tot de technische leiding, eenerzijds te kort is geschoten in de contrôle van het onder hem arbeidend personeel en niet heeft gezorgd, dat handelingen zijn voorkomen, die hij niet had mogen toelaten en die hij in elk geval, door zich met de administratie in verbinding te stellen, had kunnen voorkomen en anderzijds voor Heemaf voordelen heeft trachten te bereiken en een onjuiste opgave heeft trachten te verontschuldigen door middelen, die niet te motiveren waren door een onaangenaam scherp geworden verhouding der betrokken partijen'. Beide partijen hebben zich zonder verder commentaar bij de uitspraak neergelegd. De Vereenigde IJzer Fabrieken
Ook maakte Hofstede Crull zich nog een aantal jaren verdienstelijk als voorzitter van de kamer van koophandel in Arnhem en hij stichtte de NV 'Internationale Spinpot Exploitatie Maatschappij' ISEM, in Doetinchem. De kunstzijde unie in Arnhem kampte in die jaren namelijk met het probleem, dat het spinnen van kunstzijde geweldig bemoeilijkt werd door statische ladingen. Hofstede Crull bedacht een spin pot waarbij dat probleem zich niet voordeed en hij begon een fabriekje voor het vervaardiging van zijn schepping. Het bedrijf De Vijf kwam gedurende de crisisjaren steeds meer in problemen en het is in 1934 failliet gegaan. De 69-jarige Hofstede Crull restte toen alleen nog zijn bedrijf voor het vervaardigen van de spinpotten en hij heeft dat bedrijf nog tot zijn dood in 1938 geleid.
In 1928 was er een beurs in Zuid Afrika, de witwaterrand tentoonstelling. De vijf was van de partij met bovenstaande inzending. HEEMAF
Bouw Heemaffabriek 1909 Doordat de chef van het installatiebureau ontslagen was en ook de nieuwe directeuren open posten achterlieten, moest plotseling veel gereorganiseerd worden. Vooral de nieuwe directeur Keus pakte de zaak echter voortvarend aan en spoedig waren de strategische plaatsen weer bezet." Na korte tijd ging men echter toch voelen dat het vertrouwen in HEEMAF flink was afgenomen en men kreeg veel minder orders. Daarbij kwam nog de algemene economische malaise van na de oorlog en het matige vertrouwen dat het eigen personeel had in de nieuwe directie. Het personeelsbestand liep enorm terug: waren er in 1919 nog 1590 personeelsleden, dit aantal was in 1920 al teruggelopen tot 1263 en in 1921 halveerde dit nog eens. Volgens het verslag van de kamer van koophandel Hengelo over 1921, stond er van de overgebleven helft ook nog een aantal op wachtgeld. In 1919/1920 was nog een winst geboekt van ongeveer HFL 1780.000,-, terwijl het verlies over 1920/1921 HFL 11.650.000,- bedroeg. Men kon het verliessaldo over dat laatste boekjaar nog verkleinen door het bestaande reservefonds aan te spreken, maar in volgende jaren kon dat uiteraard niet meer. Het ging vanaf 1921 zó slecht dat de Twentsche Bank verdere kredieten weigerde, mits men een garantiesyndicaat zou vormen dat de risico's wilde afdekken, Commissarissen, directieleden en enkele anderen vormden inderdaad zo'n syndicaat en men kon weer een tijdje verder. De situatie was echter zó nijpend, dat gedurende een viertal jaren alleen enigszins afgeschreven is op gereedschappen en verder alle afschrijvingen achterwege gelaten werden. Tussen 1921 en 1924 heeft men de lonen viermaal moeten verlagen en er is tussen 1921 en 1925 geen dividend uitgekeerd. Doordat de schulden voortdurend veel te hoog bleven, moesten in december 1925 alle aandelen afgestempeld worden tot op 30% van de nominale waarde. Als men de cijfers beziet, dan moet men wel tot de conclusie komen dat het bedrijf in 1921/1922 eigenlijk failliet was. Het lijkt erop dat men het gemis van Hofstede Crull met alle macht heeft willen ontkennen en men heeft het bedrijf kunstmatig in leven gehouden. Gezegd moet overigens worden dat de nieuwe directie, met Keus voorop, keihard gewerkt heeft om het onheil af te wenden en men is daarin geslaagd.
In 1921 werd octrooi gevraagd op een nieuw type draaistroommotor en die motor heeft later als SKA-motor (speciaal kortsluit anker) veel bijgedragen aan het herstel van het bedrijf. Ook begon in 1921 de samenwerking met het Amerikaanse 'Westinghouse', voor de fabricage van spoormateriaal. HEEMAF is de moeilijke periode met heel veel inspanning doorgekomen en heeft later enkele perioden van flinke bloei gekend. In 1963 is HEEMAF opgenomen in het HOLEC-concern, waar het als werkmaatschappij van de houdster nog een periode van betrekkelijke zelfstandigheid heeft gekend, maar nu geheel is geïntegreerd. Besluit
Als Hofstede Crull in 1918 de grenzen van de redelijkheid wat meer in het oog had weten te houden, als hij zijn harde kop eens had kunnen buigen voor anderen, als hij wat minder overwerkt geweest zou zijn? Ja, dan had dit artikel nu niet geschreven behoeven te worden, want dan zou HEEMAF ongetwijfeld nog veel groter geworden zijn en dan zou zijn leven al veel eerder in allerlei gedenkboeken, uitgebreid beschreven geweest zijn. Rento Hofstede Crull overleed op 08-09-1938.
Dagblad Vaderland 08-09-1913 / 09-09-1913 Noten
Gebouw Heemaf vlak voor de afbraak in 1942.
![]() In 2010 kwam een zeer interessant boek uit geschreven door Jaap Tuik. Het boek is te koop bij o.a. Bol.com. Klik HIER om het boek te bestellen.
Ter nagedachtenis aan Jaap Tuik (1935-2010). Hij schreef dit verhaal en deed onderzoek naar Hofstede Crull en de Heemaf. Hij beschreef 26000 glasnegatieven van de Heemaf, waarvan een groot gedeelte nog niet is gedigitaliseerd.
Mijn bedoeling is om de biografie van Jaap Tuik uit te breiden met informatie en foto's die ik vind tijdens mijn onderzoek in samenwerking met Historisch Centrum Overijssel in Zwolle.
Met dank aan Peter van der Most die voor mij gericht fotomateriaal heeft gedigitaliseerd uit de prachtige collectie van de Heemaf.
Binnenkort meer fotomateriaal online uit de periode 1913 - 1930. Heeft iemand nog documenten of fotomateriaal van de oprichting van elektriciteitscentrales waarbij Hofstede Crull betrokken is geweest neem dan s.v.p. contact met mij op (mobiel: 06-19009274 / Rudo Hermsen).
Tekst Jaap Tuik, bijgewerkt met fotomateriaal, krantenknipsels en wetenswaardigheden door Rudo Hermsen
Bron: Fotomateriaal Historisch Centrum Overijssel te Zwolle, Peter van der Most, Holec Historisch Genootschap, Willy Ahlers, Smit Nijmegen Historisch genootschap, diverse historische kranten.
|
| Laatst aangepast op vrijdag 15 februari 2013 02:11 |

Biografie Hofstede Crull







Toen in het laatste kwart van de negentiende eeuw op verschillende plaatsen in Nederland de fiets zijn intrede deed, was hij erbij. Als één van de eersten deed hij mee aan wielerwedstrijden. Op de ‘hoge bi’, een vroeg type fiets, bestaand uit een heel groot voorwiel en minuscuul achterwiel. (In het Engels wordt een dergelijke fiets een penny-farthing genoemd, naar de grote munt, de penny, en de kleine, de farthing.)


.




















Aan de Kinderdijk in Alblasserdam was in 1886 al de eerste openbare 


.jpg)









Op 1 juni 1897 werd ten overstaan van notaris Henry van Opstal te Oldenzaal, de vennootschap onder de firma 'Hofstede Crull en Willink' opgericht. Willem Willink, uit Winterswijk, was werktuigkundig ingenieur en vooral bekend met het spoorbedrijf. Doordat Willink in familierelatie stond tot een viertal grote Twentse en Achterhoekse textielondernemers werd de klandizie vanuit die hoek veel vanzelfsprekender en ook kwam een groot aantal potentiële kapitaalverstrekkers voor nog te stichten elektriciteitsbedrijven onder bereik. Willink was veel minder ondernemend dan Hofstede Crull. Hij rekende het zich vooral tot taak Hofstede Crull te behoeden voor al te stoutmoedige financiële waagstukken en hij bracht wat stabiliteit in de firma. Vanuit zijn ooghoeken hield hij zicht op de onderneming en hij had er vrede mee dat Hofstede Crull steeds meer werd tot de feitelijke leider van het bedrijf en hijzelf zich beperkte tot hoofdlijnen. Waarschijnlijk is het aan die opstelling te danken dat deze twee totaal verschillende naturen het tot 1919 met elkaar uitgehouden hebben.




Ook het TCS heeft een uiterst moeilijke aanloopfase gekend, maar de condities in Hengelo waren gunstiger dan in voorgaande plaatsen en het bedrijf werd later een groot succes. Al in 1898 had Hofstede Crull getracht het gemeentebestuur van Stad Delden te bewegen tot participatie in het Bornse bedrijf, maar dat gelukte hem toen nog niet. Direct na de start van het TCS deed hij een nieuwe poging en ditmaal met meer succes. In 1902 besloot de raad van Stad Delden tot deelneming in het TCS met 115.000,- en voor dat bedrag kon de hoogspanningslijn naar Delden aangelegd worden."








In 1908 was de diplom ingenieur J.C. Bellaar Spruyt in dienst getreden bij de HEEMAF en hij werd dadelijk naar Limburg gezonden voor het stichten van een HEEMAF-vestiging in Maastricht. Bellaar Spruyt was een uiterst bekwaam elektrotechnisch ingenieur, die het in Limburg voortreffelijk deed. Naast zijn leiderschap van de HEEMAF-vestiging, kwam in 1909 ook zijn benoeming tot direkteur van de SVM. De SVM kon zodoende gebruik maken van het HEEMAF-kantoor, de HEEMAF-monteurs konden storingsdiensten verlenen aan de SVM en de boekhouding kon door HEEMAF verzorgd worden. Uiteraard kreeg HEEMAF daar een contractuele vergoeding voor, maar per saldo was het voor beide bedrijven voordelig. Bellaar Spruyt voelde zich in zijn dubbelrol toch niet altijd even gelukkig. Enerzijds was hij regionaal vertegenwoordiger van HEEMAF en moest hij zo veel mogelijk HEEMAF-producten plaatsen in Limburg; dus ook bij de SVM en anderzijds was hij direkteur van die SVM. In 1913 verzocht hij Hofstede Crull hem te ontlasten van zijn HEEMAF-taken en vanaf dat moment was hij voor 100% beschikbaar voor de SVM.




Sinds 1914 was ook de elektrotechnisch ingenieur H.I. Keus bij HEEMAF in dienst. Keus had in Delft gestudeerd bij professor G.J. van Swaay en hij had enige tijd bij hem als assistent gewerkt. Samen met Van Swaay bezat Keus enkele patenten waarvoor HEEMAF het recht van fabricage verwierf. Keus kreeg bij HEEMAF veel ruimte om zijn vleugels uit te slaan en hij bouwde tussen 1914 en 1918 een apparatenfabriek op die er zijn mocht. Doordat de gehele Nederlandse industrie na 1914 in toenemende mate moeite kreeg met het verwerven van materialen, begonnen steeds meer activiteiten te stagneren. Nederland betrok altijd veel vanuit Duitsland, maar in verband met onze neutraliteitspolitiek, viel die goederenstroom weg.
Rond 1914 was de eerder genoemde professor Van Swaay aangesteld als directeur van de 'Provinciale Noord-Brabantse elektriciteits Maatschappij' PNEM, in oprichting. Hij moest het bedrijf grondvesten, een centrale bouwen in Geertruidenberg en een net over de provincie leggen, vanwaaruit alle gemeenten in Noord Brabant gevoed zouden kunnen worden. Aan HEEMAF werd de bouw van het 50 kV hoogspanningsnet opgedragen, alsmede vele werken in de centrale." HEEMAF worstelde echter met de materiaalvoorziening en met een grote stroom aan nieuwe opdrachten. De petroleum voor de Nederlandse olielampen werd namelijk met de dag schaarser en vele gemeentebesturen achtten het woord 'elektriciteit' synoniem aan 'licht'. Zeer vele nieuwe en evenzovele noodlijdende (kleine) elektriciteitsbedrijven werden vanaf 1916 overal in het land tot leven geroepen en deden een beroep op de weinige materialen die voorhanden waren.











Na de beschuldigingen aan zijn adres benaderde Hofstede Crull in 1919 enkele Twentse industrieëlen met de vraag of zij zitting zouden willen nemen in een ereraad die hem, naar hij verwachtte, van alle blaam zou kunnen zuiveren. Hij vond inderdaad enkele personen bereid, maar kort vóór de installatie kwam hij, na ruggespraak met Bellaar Spruyt, op de gedachte, dat het beter zou zijn als de VDEN zo'n raad zou samenstellen. Nadat ook HEEMAF accoord ging en verklaarde zich te zullen neerleggen bij de uitspraak van die ereraad, werd zij geconstitueerd. De raad bestond uit mr. J.H. Worst uit Amsterdam als onafhankelijk jurist, L. Beekman uit Zwolle, directeur van de IJsselcentrale namens de VDEN, en G.J.J. Verdam uit Velp als onafhankelijk elektrotechnisch deskundige.



Het leven van Hofstede Crull kan zonder twijfel gekenschetst worden als 'bewogen'. Hij heeft veel gezien en hij heeft veel beleefd. Er is zó veel succes en er zijn zó veel teleurstellingen, dat zijn levensverhaal veel heeft van een roman. Hij heeft het anderen en ook zichzelf, niet gemakkelijk gemaakt. Hij had een moeilijk karakter, maar hij bezat een onstuimige werkkracht en hij heeft veel bereikt.


